180CC: “Een aanzienlijk deel van het productiebudget ging op aan boetes”

  • 06/03/2019
  • W Interview
  • W JEF festival

Jose heeft een grote droom: meerijden met de fietsstunters van Team Domina die vanuit Rotterdam-Zuid uitzwermen en de stad onveilig maken. Jose heeft nog niet alle stunts onder de knie maar hij blijft oefenen. “Dat kan jij niet’ bestaat niet,” zegt hij in 180CC. Maar opgroeien is nog een pak moeilijker dan fietsen, en je kan er net zo goed een buil aan vallen.

Producenten Nienke Korthof en Willem Baptist zijn de motor achter het Nederlandse productiehuis Tangerine Tree, experts op het gebied van jeugddocumentaires. Toen ze onlangs in Berlijn de ECFA Doc Award in ontvangst namen voor LENNO & DE MAANVIS – ongetwijfeld een van de krachtigste documentaires van het voorbije jaar – omschreef Baptist hun bedrijf nog als “hardcore kinderdocumentaire producent”.

Willem Baptist: Wij zitten heel diep in de jeugddocumentaires. Sinds de oprichting van Tangerine Tree hebben we er een 14-tal gemaakt, allemaal “films met ballen”. We geven jeugddocumentaires evenveel liefde en aandacht als films voor volwassenen, maar stellen ook dezelfde eisen.


Hoe herkennen jullie een goed verhaal?

Baptist: Dat heeft te maken met urgentie en met de visie van de regisseur. Een goed verhaal kan je bijna academisch analyseren, maar voor ons zijn de belangrijkste vragen aan de regisseur: Waarom wil jij dit maken? Is er een relatie met je eigen jeugd? Wil je via dit kind iets bewijzen of vertellen? Is dit een integere film? Word ik erdoor geraakt?

De hoofdfiguren in jullie films zijn allemaal kinderen die bijzonder zijn, maar op een onopvallende manier. Kinderen waar je naar op zoek moet gaan, en die zichzelf niet adverteren.

Nienke Korthof: Het zijn geen kinderen die uitblinken.

Baptist: Wij komen uit Rotterdam, een recht-voor-de-raap arbeidersstad. Wij schoppen wel eens tegen de schenen en zijn graag een beetje recalcitrant. Toen ik zelf jeugddocumentaires begon te maken, had ik helemaal niks met kinderen. Dat hoeft ook niet. Als hier een project ingediend wordt dat begint met “ik ben zelf een moeder van vier kinderen…” dan hoeft het al niet meer. We willen geen moeders. Ons uitgangspunt is nooit betuttelend of pathetisch.

Met 180 CC hebben jullie weer zo’n goudklompje in handen.

Korthof: Dat is een 100% Rotterdamse film: de personages, de crew, de locaties, het gevoel. Meer Rotterdam-Zuid kan je niet gaan.

Baptist: Het is een ruwe wereld, veel gezinnen flirten er met de criminaliteit. Mensen uit dat milieu hebben vaak een heel ontwikkeld zintuig, een radar voor wie al of niet oprecht is. Een bourgeois Amsterdammer pikken ze er zo uit; aan zo iemand geven ze zich nooit bloot. Maar als je hun taal spreekt en hun wereld begrijpt, zullen ze zich veel makkelijker open stellen.

Hoe kwam regisseur René van Zundert dit bijzondere verhaal op het spoor?

Baptist: René wilde een film maken over een kind dat al in aanraking was gekomen met Justitie, en dat nu op een splitsing staat in zijn leven: gaat hij de criminaliteit in of kiest hij een ander pad? Jose had al wat akkefietjes gehad met Justitie en staat nu voor die cruciale keuze.

Korthof: Strafbaar ben je pas vanaf je 14de en het is weer typisch voor zo’n jongen dat hij net op de nacht van z’n 14de verjaardag werd opgepakt. “Omdat ik reed op een fiets die niet eerlijk was,” zegt hij in de film. Via Jose kwam René in contact met bikelife. Tegenwoordig heeft elke grote stad een bikelife scène.

Wat is bikelife?

Baptist: Dat zijn groepjes jongeren die erop uit trekken op heel bijzondere fietsen. De politie beschouwt hen als een soort motorbendes. Dat zijn ze niet, hoewel er altijd wel jongens met een criminele achtergrond meerijden. Visueel ziet het er prachtig uit: donkere jongens met gouden kettingen die zgn. illegale ride-outs houden door de stad. Ze oefenen hun stunts niet netjes op het fietspad maar op de openbare weg. Dat trekt de aandacht van de politie.

Hoe moeilijk was het om die bikelife scène in beeld te brengen?

Korthof: René had enkel een cameraman mee en deed zelf het geluid om de crew zo klein mogelijk te houden. Zo konden ze elke dag de fietsers even opzoeken, zonder dat ze een hele draaidag moesten organiseren. René moest flexibel zijn want met die jongens was er altijd wel iets aan de hand - afspraken, daar deden ze niet aan mee. Dus lieten we alle georganiseerde agenda’s los en gingen we freewheelen. Maar het grootste probleem was: die gasten fietsen vreselijk hard! En je kan niet met de auto achter hen aan. We kochten twee scooters, maar er werd gefietst op allerlei plekken waar scooters verboden zijn. Een aanzienlijk deel van het productiebudget hebben we dus opgemaakt aan boetes.


Best een heftig verhaal.

Korthof: We rekenen er op dat het publiek wel eens wat anders wil dan een film over “een meisje wil haar eigen paard”. Maar wij maken ook lieve, tedere films.  LITTLE FIRE is een heel aandoenlijke film over een aandoenlijk onderwerp: een autistisch jongetje dat een biker buddy krijgt. Nu komt er ook bij jullie in België een Kids & Docs traject op gang en daar ben ik erg benieuwd naar. Jullie toon is vaak net iets ‘liever’, en SI-G (van Frederike Migom) vond ik heel goed.

Jullie werken samen als koppel. Lukt dat?

Korthof: We zijn niets anders gewend. Een huishouden produceren is wel wat anders dan een film produceren! Mensen denken vaak: “Jullie zijn de hele tijd samen!” Maar in werkelijkheid zien we elkaar nauwelijks. De ene werkt thuis, de andere op kantoor. Maar samen weten we heel precies wat we wel en wat we niet willen doen.